het-kleine-metaalfabriekjeDames en heren, wanneer de bodem van de schatkist in zicht was, durfde ik als 20-jarige student wel eens bijklussen, voor en na het officiële curriculum.

Een beetje zoals Siegfried Bracke, maar dan op iets kleinere schaal.

In het interimkantoor had men mij gevraagd, wat ik precies zocht. Werk, had ik als 20-jarige student geantwoord, geheel naar waarheid. Helaas, dat moest véél specifieker, vonden ze bij het interimkantoor.

Aldus had ik vrijblijvend gesuggereerd:

“Nou, als ik mag kiezen, doe mij dan maar een lucratief postje bij een distributienetbeheerder of bij een kabeloperator. Ik zal dan af en toe een nietszeggend adviesje links, of een overbodig adviesje rechts schrijven, en voor 2.000 euro per vergadering, ben ik de juiste man op de juiste plaats!”

Dat viel tegen. Het werd een metaalfabriekje. Grote metalen ringen (ik schat van minstens 25 kilo!) moesten op een band gezet worden. Vervolgens begon de machine de naden mooi glad te maken, helemaal automatisch. Tot slot moesten die loodzware ringen helaas wel manueel van de band gehaald worden.

Kwaliteit, daar hechtte de trotse zaakvoerder veel belang aan. De zaakvoerder benadrukte het herhaaldelijk:

“Ik wil mooie, gladde metalen ringen, waar de klanten blij mee zijn. Ik herhaal: ik wil mooie, gladde metalen ringen.”

Fijn dat hij het herhaalde, en ik wou graag het debat aangaan of die klanten misschien niet éven gelukkig waren met metalen ringen die bijna glad waren, of omgekeerd, of sommige klanten misschien niet doodongelukkig waren, ook al waren de metalen ringen dan perfect glad, etc.

Maar een debat, dat was niet de bedoeling. Ik moest aan de slag. Vooruit met de geit. Véél uitleg kreeg ik niet. Ik werd aan de machine gezet. Hup, zo’n loodzware ring op de band, en als de ringen mooi glad waren, de metalen ringen als de bliksem van de band halen. Ik besef het: dat klinkt kinderlijk eenvoudig, maar als ervaringsdeskundige kan ik nu het tegenovergestelde bevestigen.

De complexiteit zat ‘m in de aard van het bandwerk zelf: ongeacht van wat ik deed, die band bleef gewoon rollen. Zo gebeurde het na een uurtje of twee, dat ik plots een klein probleempje had met het op de band plaatsen van een nieuwe metalen ring. Ik bezweer het u, beste lezer, dat was een kreng van een exemplaar. Geen land mee te bezeilen, met die metalen ring.

Helaas, aan het uiteinde van de band bleven de mooie, gladde metalen ringen maar toekomen, er geen rekening mee houdende dat ik – vooraan – een beetje op achterstand was geraakt. De metalen ringen aan het uiteinde raakten verstopt in een indrukwekkende file, maar niemand in het metaalfabriekje leek daar wakker van te liggen, althans, niemand snelde mij ter hulp.

Net toen ik zélf hulp wou vragen, kwam er een dikke, zwarte rookpluim uit de machine. Wat een walm! Wat een stank! En toen, plots een flinke steekvlam. Heel merkwaardig: toen kwam er plots wél veel reactie. En dan meer specifiek: chaos en paniek.

De zaakvoerder kwam puffend aangesneld, en ik sprak hem toe met de gevleugelde woorden:

“Meneer de zaakvoerder, die machine hier, die is finaal naar de knoppen, vrees ik. Die zal vandaag niet veel mooie, gladde metalen ringen meer produceren, als u het mij vraagt. Oh,  Baby , ik herhaal: die zal vandaag niet veel mooie, gladde metalen ringen produceren”

Man, man. De zaakvoerder van het kleine metaalfabriekje werd eerst lijkbleek, toen knalrood, en tenslotte een blauwachtig purper.

Hij hapte naar adem.

Kwaad dat die meneer was!

Op mij, dan nog wel.

Waarom ik moederziel alleen aan die machine stond? Waar de vakmannen waren? “Die zijn een saf gaan smoren in het magazijn”, zou het oprechte en eerlijke antwoord geweest zijn, maar uit solidariteit met collega’s die ik niet kende, maar die net zoals ik tot de werkende klasse behoorden, zei ik mistroostig: “Dat weet ik niet, meneer”.

De rest van de dag mocht ik geheel manueel voor mooie, gladde metalen ringen zorgen, met behulp van een miserabel velletje schuurpapier.

De volgende dag besloot ik om niet terug te gaan. Het was mooi geweest, met die gladde metalen ringen. Toen waren ze bij het interimkantoor ook nog eens boos, op mij. “Allez, meneer De Groof, ze verwachten u daar morgenvroeg! U kan die mensen toch niet in de kou laten staan?”

En als kers op de taart, probeerden ze nog op een mens z’n gemoed te spelen:

“Allez Peter, en ze waren daar nog zo content over u!”. 

Nou, dan vroeg ik me toch af wat de studenten zoal uitstaken waar ze minder tevreden over waren?  De hele fabriek in lichterlaaie zetten?

Ik hield voet bij stuk. Het was mooi geweest. Eén werkdag was voldoende. Ik vroeg aan het interimkantoor om het afgesproken bedrag op mijn rekening te storten, en niet op de rekening van de BVBA van mijn voorganger. Dat sprak vanzelf, zo werd mij verzekerd.

Nu. Als 20-jarige student was dit een louterende ervaring. Om eens stevig en diep met de voeten in het metaal te staan. Het zorgde er voor dat ik de volgende dag opnieuw met véél plezier in de cursus wereldliteratuur zat. Alsof het een privilege was om daar te mogen zitten, om daar vurig en vol passie in debat te mogen gaan, over mens en maatschappij.

En, dames en heren, een privilege, dat wàs het ook.

Met noeste en nijvere groeten,

Peter

Advertenties